Nederlands > Engelse Inhoud

groot, great 001
groot, big 001
het condoom, condom 001
de boer, farmer 001
de handschoenen, gloves 001
de hemel, heaven 001
de echtgenoot, husband 001
verdwaald, lost 001
Mevr., Mrs. 001
de ruimte, space 001
geweldig, wonderful 001
klein, small 002
een paar, few 002
de punt, tip 002
het jade, jade 003
de bal, ball 003
de ballon, balloon 003
de aarde, earth 003
het glas, glass 003, material
het golfen, golf 003
het juweel, jewel 003
de koning, king 003
nu, now 003
de piano, piano 003
spelen, to play 003
de voetbal, soccer 003
het speelgoed, toys 003
het water, water 004
het bad, bath 004
de batterij, battery 004
de boter, butter 004
het kanaal, canal 004
schoon, clean 004
diep, deep 004
de woestijn, desert 004
de diarree, diarrhea 004
vuil, dirty 004
vullen, to fill 004
de overstroming, flood 004
vloeien, to flow 004
de benzine, gas 004
de lijm, glue 004
de haven, harbor 004
het gat, hole 004
het sap, juice 004
het meer, lake 004
de vloeistof, liquid 004
de olie, oil 004
de verf, paint 004
de parfum, perfume 004
de rivier, river 004
heersen, to rule 004
het zand, sand 004
de zee, sea 004
de soep, soup 004
de stroom, stream 004
de aftrekking, subtraction 004
zwemmen, to swim 004
de temperatuur, temperature 004
dorstig, thirsty 004
wassen, to wash 004
de golf, wave 004
de bron, well 004, water
het licht, light 005
de voorvader, ancestor 005
de baby, baby 005
de broer, brother 005
het kind, child 005
het miljoen, million 005
het konijn, rabbit 005
schijnen, to shine 005
de vorm, form 006
snijden, to carve 006
vormloos, formless 006
de film, movie 006
de schaduw, shadow 006
de lucht, air 007
het gas, gas 007
het weer, weather 007
de wind, wind 008
de bries, breeze 008
de storm, storm 008
de regen, rain 009
de wolk, cloud 009
de elektriciteit, electricity 009
de mist, fog 009
de bliksem, lightning 009
nodig hebben, to need 009
de regenboog, rainbow 009
de sneeuw, snow 009
de donder, thunder 009
nul, zero 009
het ijs, ice 010
koud, cold 010
koel, cool 010
de koelkast, refrigerator 010
de winter, winter 010
het vuur, fire 011
de as, ash 011
de beer, bear 011, animal
het kanon, cannon 011
de sigaret, cigarette 011
de kolen, coal 011
koken, to cook 011
de koorts, fever 011
grijs, gray 011
heet, hot 011
de lamp, lamp 011
de lucifer, match 011
rijp, mature 011
de oven, oven 011
rijp, ripe 011
de rook, smoke 011
de kachel, stove 011
de zwaluw, swallow 011, bird
de grond, soil 012
het adres, address 012
op, at 012, place
de kerk, church 012
de dam, dam 012
het stof, dust 012
de boerderij, farm 012
het afval, garbage 012
het graf, grave 012
de hel, hell 012
in, in 012
het land, land 012
op, on 012
zitten, to sit 012
de toren, tower 012
de heuvel, hill 013
het eiland, island 013
de berg, mountain 013
de oever, shore 013
opstijgen, to ascend 014
hoog, high 015
lang, tall 015
de grot, cave 016
de schoorsteen, chimney 016
leeg, empty 016
arm, poor 016
door, through 016
aanhebben, to wear 016
het raam, window 016
het dal, valley 017
de steen, stone 018
het kristal, crystal 018
de diamant, diamond 018
de schotel, dish 018
hard, hard 018
het mineraal, mineral 018
stijf, stiff 018
het goud, gold 019
de bank, bank 019
de bel, bell 019
de knoop, button 019
de ketting, chain 019
de klok, clock 019
de munt, coin 019
het kompas, compass 019
het koper, copper 019
de bril, glasses 019
het pistool, gun 019
de hamer, hammer 019
het ijzer, iron 019, material
het slot, lock 019
het metaal, metal 019
het microscoop, microscope 019
de spiegel, mirror 019
de fout, mistake 019
het geld, money 019
de spijker, nail 019, metal
de naald, needle 019
de pan, pan 019
het roest, rust 019
de zaag, saw 019
de schroef, screw 019
het zilver, silver 019
het staal, steel 019
de telescoop, telescope 019
de titel, title 019
de stad, town 019
het horloge, watch 019
de oogst, crop 020
kaal, bald 020
de herfst, fall 020, season
het soort, kind 020
de huur, rent 020
het zaad, seed 020
de belasting, tax 020
de rijst, rice 021
het poeder, powder 021
de stof, stuff 021
de tarwe, wheat 022
het brood, bread 022
de taart, cake 022
de noedel, noodle 022
de suiker, sugar 022
effen, even 023
gelijk, equal 023
de gierst, millet 024
kleverig, sticky 024
de hennep, hemp 025
het narcoticum, narcotic 025
de bonen, beans 026
de erwt, pea 026
de komkommer, cucumber 027
de meloen, melon 027
het gras, grass 028
bitter, bitter 028
blauw, blue 028
de bloem, flower 028
het kruid, herb 028
het blad, leaf 028
het deksel, lid 028
de pil, pill 028
de thee, tea 028
dun, thin 028, material
de tomaat, tomato 028
de tulp, tulip 028
de groente, vegetable 028
de prei, leek 029
het bamboe, bamboo 030
het antwoord, answer 030
de mand, basket 030
de kooi, cage 030
het gordijn, curtain 030
de omheining, fence 030
het gewricht, joint 030
lachen, to laugh 030
de pen, pen 030
de leiding, pipe 030
de raket, rocket 030
wachten, to wait 030
het hout, wood 031
de brug, bridge 031
de emmer, bucket 031
de camera, camera 031
de stoel, chair 031
de kam, comb 031
het katoen, cotton 031
de kop, cup 031
de kast, cupboard 031
het oosten, east 031
de vloer, floor 031
het fruit, fruit 031
de hendel, lever 031
de machine, machine 031
de peper, pepper 031
het kussen, pillow 031
de plant, plant 031
de wortel, root 031
de school, school 031
de trap, stairs 031
de stok, stick 031
de tafel, table 031
de boom, tree 031
de steel, stem 032
vlak, flat 032
het jaar, year 032
de tak, branch 033
verbouwen, to grow 034, ov. ww.
lang, long 034
de zon, sun 035
donker, dark 035
de dag, day 035
de vakantie, holiday 035
het uur, hour 035
is, is 035, verb
nee, no 035
de satelliet, satellite 035
de lente, spring 035, season
de ster, star 035, heavenly
de tijd, time 035
morgen, tomorrow 035
warm, warm 035
wanneer?, when? 035
of, whether 035
ja, yes 035
gisteren, yesterday 035
de morgen, morning 036
de landbouw, farming 036
de avond, evening 037
de droom, dream 037
buitenlands, foreign 037
de nacht, night 037
buiten, outside 037
het westen, west 038
willen, to want 038
de maan, moon 039
hebben, to have 039
de hoop, hope 039
hopeloos, hopeless 039
de maand, month 039
de menstruatie, period 039
de week, week 039
wensen, to wish 039
de zomer, summer 040
de schelp, shell 041
kopen, to buy 041
de vracht, cargo 041
goedkoop, cheap 041
duur, expensive 041
spelen, to gamble 041
verkopen, to sell 041
de tol, toll 041
winnen, to win 041
de vis, fish 042
de krokodil, crocodile 042
de vin, fin 042
vers, fresh 042
de schaal, scale 042, fish
de walvis, whale 042
de draak, dragon 043
de dinosaurus, dinosaur 043
het gevogelte, fowl 044
de vogel, bird 045
de arend, eagle 045
de gans, goose 045
de papegaai, parrot 045
de hen, hen 046
moeilijk, difficult 046
dubbel, double 046
vrouwelijk, female 046
de held, hero 046
mannelijk, male 046
het paar, pair 046
de haan, rooster 046
de worm, worm 047
het ei, egg 047
het insect, insect 047
de slang, snake 047
de wesp, wasp 047
het was, wax 047
vliegen, to fly 048
het vliegtuig, airplane 048
de helikopter, helicopter 048
de zeeschildpad, turtle 049
de (land)schildpad, tortoise 050
de muis, mouse 051
de kangoeroe, kangaroo 051
het schaap, sheep 052
mooi, beautiful 052
verlegen, shy 052
het varken, pig 053
het wild zwijn, boar 053
de olifant, elephant 053
het hert, deer 054
de giraffe, giraffe 054
de koe, cow 055
de stier, bull 055
het, it 055, subj.
het, it 055, obj.
de priester, priest 055
de neushoorn, rhinoceros 055
het offer, sacrifice 055
het paard, horse 056
de kameel, camel 056
schrikken, frightened 056
trots, proud 056
rijden, to ride 056
tam, tame 056
de zebra, zebra 056
de kat, cat 057
de luipaard, leopard 057
het kijkje, look 057
de hond, dog 058
agressief, aggressive 058
het beest, beast 058
jagen, to hunt 058
de leeuw, lion 058
de gevangene, prisoner 058
de tijger, tiger 059
ruw, harsh 059
de man, man 060
geloven, to believe 060
lenen, to borrow 060
maar, but 060, conj.
komen, to come 060
doen, to do 060
niet, to do not 060
de Nederlander, Dutch male resident 060
het voorbeeld, example 060
vals, false 060
hij, he 060
hem, him 060
het beeld, image 060
de brief, letter 060
zo, like 060, prep.
leven, to live 060, to reside
laag, low 060
maken, to make 060
de buur, neighbor 060
de mensen, people 060
het familielid, relative 060
repareren, to repair 060
de machinemens, robot 060
sparen, to save 060, money
stelen, to steal 060
superieur, superior 060
hen; ze, them 060
zij; ze, they 060
de dief, thief 060
moe, tired 060
vandaag, today 060
de paraplu, umbrella 060
wat?, what? 060
de getuige, witness 060
jij, je(familiar); u, you 060, subj.
jou, je(familiar); u, you 060, obj.
de vader, father 061
de moeder, mother 062
per, per 062
het vergif, poison 062
vermenigvuldigen, to multiply 063
de vermenigvuldiging, multiplication 063
de zoon, son 064
de jongen, boy 064
het woordenboek, dictionary 064
leren, to learn 064
zwanger, pregnant 064
de prins, prince 064
het seizoen, season 064
de student, student 064
het woord, word 064
de vrouw, woman 065
de dochter, daughter 065
gescheiden, divorced 065
de pop, doll 065
de Nederlandse, Dutch female resident 065
het meisje, girl 065
haar, her 065, obj.
als, if 065
jaloers, jealous 065
de achternaam, last name 065
trouwen, to marry 065
de melk, milk 065
Mevr., Miss 065
Mevr., Ms. 065
de prinses, princess 065
de prostituee, prostitute 065
de koningin, queen 065
verkrachten, to rape 065
zij; ze, she 065
de zus, sister 065
de echtgenote, wife 065
de borst, breast 066
bedelen, to beg 066
krom, curved 066
droog, dry 066
negen, nine 066
ook, too 066, also
de zuigeling, infant 067
de zelf, self 068
de vrijheid, freedom 068
zich, herself 068
zich, himself 068
zich, itself 068
me, myself 068
zich, themselves 068
je(familiar); zich, yourself 068
particulier, private 069
al, already 069
het weggetje, lane 069
de stam, clan 070
de chef, chief 071
de minister-president, prime minister 071
het lichaam, body 072
buigen, to bow 072
het hoofd, head 073
de wang, cheek 073
de nek, neck 073
knikken, to nod 073
voorbereiden, to prepare 073
het dak, roof 073
de top, top 073, part
de kroon, crown 074
de kam, crest 074
de hoorn, horn 075
de hoek, corner 075
oplossen, to solve 075
aanraken, to touch 075
het gezicht, face 076
de ogen, eyes 077
blind, blind 077, adj.
de inhoud, contents 077
de wenkbrauw, eyebrow 077
kijken, to look 077
de verpleegster, nurse 077
echt, real 077
het schild, shield 077
slapen, to sleep 077
waar, true 077
zien, to see 078
observeren, to observe 078
het gezicht, sight 078
de televisie, television 078
de oren, ears 079
doof, deaf 079
ongehoorzaam zijn, to disobey 079
horen, to hear 079
huren, to hire 079
luid, loud 079
gehoorzamen, to obey 079
wijs, wise 079
de mond, mouth 080
en, and 080
vragen, to ask 080
bijten, to bite 080
blazen, to blow 080
roepen, to call 080
de chocolade, chocolate 080
de koffie, coffee 080
hoesten, to cough 080
huilen, to cry 080
hallo, hello 080
de informatie, information 080
kussen, to kiss 080
houden van, to like 080
de lippen, lips 080
stom, mute 080
de naam, name 080
luidruchtig, noisy 080
de vraag, question 080
rechts, right 080, direction
de zin, sentence 080, words
zingen, to sing 080
enkel, single 080
niezen, to sneeze 080
zuigen, to suck 080
inslikken, to swallow 080
smaken, to taste 080
de onderwijzer(es) m.(v.), teacher 080
de keel, throat 080
de trompet, trumpet 080
overgeven, to vomit 080
het wapen, weapon 080
gapen, to yawn 081
het lied, song 081
de tong, tongue 082
likken, to lick 082
de tand, tooth 083
de slagtand, tusk 083
de versnelling, gear 084
het tandvlees, gums 084
de neus, nose 085
snorken, to snore 085
de hand, hand 086
de rem, brake 086
vangen, to catch 086
kopiëren, to copy 086
delven, to dig 086
vinden, to find 086
de vinger, finger 086
tot ziens, goodbye 086
slaan, to hit 086
kloppen, to knock 086
marcheren, to march 086
de motor, motor 086
trekken, to pull 086
duwen, to push 086
weigeren, to refuse 086
de schroevendraaier, screwdriver 086
ondersteunen, to support 086
nemen, to take 086
werpen, to throw 086
het kunstje, trick 086
stemmen, to vote 086
tegen, against 087
weer, again 087
de vork, fork 087
de vriend, friend 087
de rebel, rebel 087
de voet, foot 088, part
de enkel, ankle 088
vallen, to fall 088
volgen, to follow 088
de hoef, hoof 088
springen, to jump 088
trappen, to kick 088
de knie, knee 088
lam, lame 088
het pad, path 088
de weg, road 088
de teen, toe 088
rollen, to roll 089
verdenken, to suspect 089
de klauw, claw 090
klimmen, to climb 090
want, for 090, conj.
de nagel, nail 090, part
waarom?, why? 090
de staart, tail 091
de klompen, clogs 091
het lijk, corpse 091
de ladekast, drawers 091, chest of
de mest, dung 091
een scheet laten, to fart 091
het uitwerpselen, feces 091
de voet, foot 091, measure
het schuurtje, outhouse 091
de liniaal, ruler 091, measure
de urine, urine 091
de voorruit, windshield 091
het bot, bone 092
het vlees, flesh 093
de arm, arm 093
de rug, back 093, part
de hersenen, brain 093
kan, can 093, aux. verb
de computer, computer 093
de cosmetica, cosmetics 093
het vet, fat 093
het been, leg 093
het lid, limb 093
de lippenstift, lipstick 093
de lever, liver 093
het vlees, meat 093
het plastic, plastic 093
de etter, pus 093
het rubber, rubber 093, material
de maag, stomach 093
strippen, to strip 093
de zwelling, swelling 093
de pols, wrist 093
het vel, skin 094
de bast, bark 094
de rimpel, wrinkle 094
het leer, leather 095
de laars, boot 095
de sandalen, sandals 095
de schoen, shoe 095
de looierij, tannery 096
de pluim, feather 097
oefenen, to practice 097
de vleugel, wing 097
de pels, fur 098
de deken, blanket 098
de wol, wool 098
het haar, hair 099
de baard, beard 099
de manen, mane 099
de snor, mustache 099
het snorhaar, whisker 100
het bloed, blood 101
bloeden, to bleed 101
het leven, life 102
geboren, born 102
de dokter, doctor 102
groeien, to grow 102, on. ww.
levenloos, lifeless 102
M., Mr. 102
produceren, to produce 102
oud, old 103
de ziekte, disease 104
de verslaving, addiction 104
de kramp, cramp 104
ziek, ill 104
gek, insane 104
jeuken, itch 104
mager, lean 104, thin
de pijn, pain 104
het litteken, scar 104
de dood, death 105
slecht, bad 105
sterven, to die 105
het spook, ghost 106
de toverkunst, magic 106
de ziel, soul 106
openbaren, to reveal 107
de zegen, blessing 107
de cheque, check 107
de ramp, disaster 107
het cadeau, gift 107
de god(in), god(dess) 107
God, God 107, no article
de postzegel, stamp 107, postage
het kaartje, ticket 107
het mysterie, mystery 108
voorzeggen, to foretell 109
neerslachtig, depressed 110
de kleren, clothes 111
bruin, brown 111
verkleuren, to fade 111
bloot, naked 111
de broek, pants 111
de zak, pocket 111
beleefd, polite 111
de handtas, purse 111
het overhemd, shirt 111
de rok, skirt 111
de sok, sock 111
de onderbroek, underpants 111
inpakken, to wrap 111
de zijde, silk 112
de afkorting, abbreviation 112
geven, to give 112
groen, green 112
de groep, group 112
de index, index 112
de knoop, knot 112
de echt, marriage 112
het papier, paper 112
de president, president 112
violet, purple 112
rood, red 112
naaien, to sew 112
krimpen, to shrink 112
het touw, string 112
de draad, thread 112
knopen, to tie 112
de trouwerij, wedding 112
het ijzerdraad, wire 112
het borduurwerk, embroidery 113
het kwadraat, square 114, shape
de vlag, flag 114
de stof, cloth 115
altijd, always 115
het verband, bandage 115
de herenkapper, barber 115
de riem, belt 115
de dameskapper, hairdresser 115
de hoed, hat 115
de markt, market 115
het servet, napkin 115
het maandverband, sanitary napkin 115
de tent, tent 115
de stropdas, tie 115
het voedsel, food 116
het ontbijt, breakfast 116
drinken, to drink 116
eten, to eat 116
voeden, to feed 116
hongerig, hungry 116
de lunch, lunch 116
het maal, meal 116
het restaurant, restaurant 116
het avondmaal, supper 116
de wijn, wine 117
het bier, beer 117
de kaas, cheese 117
dronken, drunk 117
paren, to mate 117
de saus, sauce 117
zuur, sour 117
lelijk, ugly 117
de azijn, vinegar 117
wekken, to wake 117
de lepel, ladle 118
de haak, hook 118
het aardewerk, earthenware 119
kapot, broken 119
de pot, pot 119
het porselein, porcelain 120
de fles, bottle 120
de tegel, tile 120
het vat, vessel 121
de kom, basin 121
de valhelm, helmet 121
de gevangenis, prison 121
het dienblad, tray 121
de grote ketel, caldron 122
de drievoet, tripod 123
het huis, home 124
het gezin, family 124
de rechter, judge 124
het kantoor, office 124
het paleis, palace 124
rijk, rich 124
de kamer, room 124
veilig, safe 124
schrijven, to write 124
de muur, wall 125, outside
het bed, bed 125
de schoor, buttress 125
het hek, gate 126
sluiten, to close 126
de kraan, faucet 126
openen, to open 126
de deur, door 127
de kliniek, clinic 127
de ventilator, fan 127
de keuken, kitchen 127
het toilet, washroom 127
het veld, field 128
de grens, boundary 128
tekenen, to draw 128
uit, from 128
de ploeg, plow 129
bebouwen, to cultivate 129
de maat, measure 130
de helling, slope 130
de vijzel, mortar 131
het dorp, village 132
de heuvel, mound 133
verdedigen, to defend 133
het ziekenhuis, hospital 133
steil, steep 133
de val, trap 133
de tunnel, tunnel 133
de dekking, covering 134
de kraam, stall 134
dik, thick 134
het paviljoen, pavilion 135
genieten van, to enjoy 135
ruim, spacious 136
de schuur, barn 136
de bodem, bottom 136
de fabriek, factory 136
de tempel, temple 136, shrine
het garnizoen, garrison 137
de stad, city 138
posten, to mail 138
de provincie, province 138
dat, that 138
de m./ v.; het o.; de mv., the 138
daar, there 138
waar?, where? 138
slecht, wicked 138
het district, district 139
het nest, nest 140
de bijlage, enclosure 141
omdat, because 141
het land, country 141, nation
de tekening, drawing 141
Nederlands, Dutch 141, country
vier, four 141
de tuin, garden 141
de kaart, map 141
ovaal, oval 141
rond; om-, round 141
bouwen, to build 142
het werk, work 143
links, left 143, direction
de kracht, force 144
de optelling, addition 144
het dier, animal 144
inferieur, inferior 144
de kracht, power 144
het succes, success 144
gewelddadig, violent 144
lopen, to walk 145
het gedrag, conduct 145
de straat, street 145
rennen, to run 146
het plezier, fun 146
gaan, to go 147
uit, out 148
betreden, to enter 149
alle, all 149
het inkomen, income 149
binnen, inside 149
staan, to stand 150
het station, station 150
stoppen, to stop 151
de leeftijd, age 151
het recht, justice 151
reizen, to travel 152
ver, far 152
hier, here 152
laat, late 152
missen, to miss 152
over, over 152
deze, this 152
het verkeer, traffic 152
welkom, welcome 152
de boot, boat 153
het schip, ship 153
de auto, car 154
de ziekenwagen, ambulance 154
het leger, army 154
de fiets, bicycle 154
de bus, bus 154
de taxi, cab 154
de lift, elevator 154
de sneltrein, express 154
de trein, train 154
de vrachtwagen, truck 154
draaien, to turn 154
de bestelwagen, van 154
het wiel, wheel 154
de (wind)molen, (wind)mill 154
aankomen, to arrive 155
tot, until 155
appreteren, to finish 156
de onkosten, expenses 157
uitgeven, to spend 157
gebruiken, to use 157
de doos, box 158
de ambtenaar, official 159
de soldaat, soldier 160
de meester, master 161
de bediende, servant 162
de achterkant, back 162, not front
achter, behind 162
halen, to get 162
bedienen, to serve 162
de slaaf, slave 163
het geschrift, writing 164
de tekst, text 164
het register, record 165
het penseel, brush pen 166
het zegel, seal 167, stamp
drukken, to print 167
de lage tafel, low table 168
de fout, fault 169
de omkoping, corruption 170
de dolk, dagger 171
de sleutel, key 171
het noorden, north 171
de lepel, spoon 171
het mes, knife 172
voor, before 172
de borstel, brush 172
snijden, to cut 172
de voorkant, front 172
de interest, interest 172, on money
oordelen, to judge 172
het voordeel, profit 172
het scheerapparaat, razor 172
de schaar, scissors 172
scherp, sharp 172
zich scheren, to shave 172
het zwaard, sword 172
naar, to 172
de bijl, ax 173
nieuw, new 173
de schicht, dart 174
de werpspeer, javelin 175
het spelletje, game 175
ik, I 175
mij; me, me 175
of, or 175
ons, us 175
de oorlog, war 175
wij; we, we 175
de speer, spear 176
de boog, bow 177
het projectiel, missile 177
sterk, strong 177
zwak, weak 177
de pijl, arrow 178
kennen, to know 178
kort, short 178, time
de duim, inch 179
de enveloppe, envelope 179
schieten, to shoot 179
het net, net 180
de b. h., bra 180
de misdaad, crime 180
strijden, to fight 181
het stuk, piece 182
doden, to kill 182
wijzigen, to change 183
aanvallen, to attack 183
moedig, brave 183
tellen, to count 183
de vijand, enemy 183
het nummer, number 183
zetten, to put 183
redden, to save 183, life
leren, to teach 183
het centrum, center 184
onzijdig, neuter 184
een, one 185
een, 'n, a/an 185
boven, above 185
onder, below 185
af, ne(d)er, down 185
lager, lower 185
zeven, seven 185
drie, three 185
op, up 185
opper-, upper 185
twee, two 186
vijf, five 186
acht, eight 187
publiek, public 187
zes, six 187
tien, ten 188
middag, noon 188
het zuiden, south 188
duizend, thousand 188
de verzameling, collection 189
het laken, sheet 190, bed
het verkeersbord, sign 190, traffic
niets, none 191
goed, good 192
slecht, evil 193
vergelijken, to compare 194
schitterend, brilliant 195
de kleur, color 196
cyaan, cyan 197
zwijgend, silent 197
jong, young 197
magenta, magenta 198
geel, yellow 199
zwart, black 200
wit, white 201
haar, her 201, adj.
zijn, his 201
honderd, hundred 201
mijn, my 201
van, of 201
onze m./v.; ons o., our 201
hun, their 201
jouw, je(familiar); uw, your 201
de klank, sound 202
de muziek, music 202
de radio, radio 202
de fluit, flute 203
de trommel, drum 204
dansen, to dance 205
zout, salty 206
het zout, salt 206
de zeep, soap 206
scherp, pungent 207
zoet, sweet 208
spreken, to speak 209
het boek, book 209
de club, club 209
zeggen, to say 209
de spraak, speech 210
Nederlands, Dutch 210, language
verontschuldigen, to excuse 210
de taal, language 210
de roman, novel 210
alstublieft, please 210, polite
de politie, police 210
lezen, to read 210
de telefoon, telephone 210
bedanken, to thank 210
wie?, who? 210
geurig, fragrant 211
het hart, heart 212
het ongeluk, accident 212
boos, angry 212
saai, boring 212
snel, fast 212
dwaas, foolish 212
homo, gay 212
gelukkig, happy 212
haten, to hate 212
hoe?, how? 212
houden van, to love 212
de geest, mind 212
bedroefd, sad 212
seks, sex 212
langzaam, slow 212
bejammeren, sorry 212
mengen, to mix 213